Bridgetechnieken

 

Op deze pagina treft u een uitleg van enkele bridgetechnieken en speelwijzen. Zoals u ziet is de lijst nog maar zeer beperkt. In de komende periode zal hier flink aan gesleuteld gaan worden. Suggesties en input is uiteraard altijd van harte welkom.

   
Het openen Kansberekening    
Signaleren      
Een speelplan maken      

 

 


Het openen

Waar voorheen 'vaste' regels bestonden met betrekking tot het minimale aantal punten dat benodigd was om te openen, wordt nu veel meer gekeken naar de "waarde" en de verdeling van de hand. Als norm voor het openen van 1 in een kleur, kunt u de volgende twee stelregels hanteren:

De regel van 20 (voor openingen van 1 in een kleur)

We openen vanaf 11 punten, met daarbij de belangrijke voorwaarde dat het aantal punten plus het aantal kaarten in de twee langste kleuren 20 of hoger moet zijn om te openen.

  • 11 punten met een vijfkaart en een vierkaart (= 11+5+4) is dus genoeg om te openen.
  • 12 punten met een vier-drie-drie-drie verdeling (= 12+4+3) is dus niet genoeg om te openen.
  • 13 punten kun je met elke verdeling openen. In de twee langste kleuren zitten immers altijd tenminste 7 kaarten.

Wanneer er drie keer is gepast en u bent aan de beurt in de 4e hand dan geldt de regel van 15:

De regel van 15 (voor openingen in de 4e hand )

Voor een 4e hands opening is alleen het bezit van belang. Als we de 4e hand zouden openen terwijl we zelf kort in de zijn, is de kans groter dat het voordeliger zal uitpakken voor de tegenstander.

Daarom geldt : Als het aantal punten vermeerdert met het aantal schoppenkaarten 15 of meer is, dan openen we, is het 14 of minder dan passen we.

  • 12 punten met een doubleton wordt niet geopend. In de praktijk blijkt dat wanneer deze regel consequent toegepast wordt dat er doorgaans beter wordt gescoord met een rondpas.

 

 


Signaleren

 

Aan- en af signaleren doen we om onze partner tijdens het tegenspelen iets meer te vertellen over onze hand.

Partner kan bijvoorbeeld starten met een aas, dan kunnen wij aangeven of hij vooral moet doorgaan of juist niet. Ook in een situatie dat partner aan slag is maar wij niet meer kunnen bekennen, kunnen we natuurlijk een kaart in een andere kleur bijleggen die dan een bepaalde betekenis heeft.

Niet signaleren maar common sense moet in de eerste plaats voorop staan. Het biedverloop heeft al het een ander aan informatie opgeleverd. Hoe de leider het spel beetpakt, de uitkomst van partner zijn allemaal informatiebronnen. Alles laten afhangen van signalen is daarom niet goed. Soms kun je namelijk niet anders dan een bepaalde kaart bijgooien, maar belangrijker is nog dat de tegenstanders natuurlijk ook zien wat er aan- en afgesignaleerd wordt en de leider kan eventueel zijn spelplan daaraan aanpassen.

De truc is dus om op het juiste moment de partner via een signaal te informeren. Goed op elkaar ingespeeld zijn en veel oefenen zijn de beste papieren tot succes.

Hieronder volgt een beknopte uitleg van enkele signaleringstechnieken.

Het distributiesignaal


Als de leider vanuit zijn hand of vanuit de dummy een kleur aanspeelt kunnen we (als tegenspeler natuurlijk) onze distributie aangeven, dat wil zeggen het aantal kaarten dat wij in die kleur bezitten.

De regel is dan: een hoge kaart geeft een even aantal aan en een lage kaart een oneven aantal.

   

Het Lavinthalsignaal


Als wij onze partner blij hebben gemaakt met een introever, is het ook prettig als hij vervolgens in de gewenste kleur terugkomt. De Amerikaan Hy Lavinthal bedacht hier een signaal voor.

Stel partner start en u neemt met de aas. U weet (bijna) zeker dat partner met een singleton is gestart en dus graag de volgende slag wil introeven. Natuurlijk vervolgt u in die kleur maar welke kaart speelt u bij?

  • Een lage kaart vraagt partner om na de introever de in rang laagste kaart na te spelen (naast de ingetroefde kleur en de troef zelf blijven er tenslotte maar 2 over)
  • Een hoge kaart vraagt partner om na de introever met de in rang hoogste kaart terug te komen.
   

Romeins


Een veel toegepaste vorm van signaleren. In het kort:

  • Het bijspelen van een oneven kaart is aanmoedigend.
  • Het bijspelen van een lage even kaart vraagt om de laagste van de overgebleven kleuren (ervan uitgaande dat de tegenstander een troefcontract speelt, die kleur slaan we over)
  • Het bijspelen van een hoge even kaart vraagt om de hoogste van de twee overgebleven kleuren
 

Voorbeeldje: de tegenpartij eindigt in een willekeurig contract. Partner komt uit met met een hoge (wat op zich natuurlijk ook alweer enige informatie kan verschaffen) die bijvoorbeeld in de dummy wordt gedoken.

  • Als wij dan de 3, 5, 7 of 9 bijspelen dan is dat dus een positief signaal voor .
  • Zouden we 2 of de 4 (6 is te neutraal) bijspelen dan vragen we in principe dus om de lagere kleur. In dit geval .
  • Zouden we echter 8 of 10 bijspelen, dan signaleren we derhalve een kleur hoger. In dit geval , want we slaan de troefkleur van de tegenstander in deze rij over !

Neem vooral nog even de opmerking van hiervoor door over common sense. Blindvaren op het 'signaal' van partner is vragen om ellende.

         

 


Een speelplan maken

 

Als het eindcontract is bepaald en er links van u is uitgekomen, wordt het tijd om een speelplan te maken.

In een troefcontract telt u uw verliezende slagen. In een SA contract telt u uw winnende slagen en bij beide stelt u vast hoe u er, met de uitkomst op tafel, uit gaat halen wat er in zit. Natuurlijk maakt het uit of u een Paren of een Butlerwedstrijd speelt. Bij Paren telt iedere slag en bij Butler is het belangrijker om het contract te maken dan een overslag (zie tabblad cursussen: 'alles over butler' voor alle informatie).

We geven u een voorbeeld van het belang van een speelplan na de uitkomst aan de hand van het volgende diagram:

    ??    
B 5 3 A V 10
A 3 8 2
A H B 7 3 V 10 5
10 9 5 H V B 6 4
         

 

U zit West en speelt 3SA, hoe is uw speelplan in de volgende situaties?

  • Noord komt uit met -6
  • Noord komt uit met -6
  • Noord komt uit met -6

Kijk eens goed naar de verdeling, en verzin het juiste speelplan.

 

Noord komt uit met -6:

Geen vuiltje aan de lucht hier. U neemt de en gaat vervolgens de aanspelen, net zolang tot de aas valt. Als de tegenpartij daarna met komt neemt u het aas, speelt de vrije en vrije en neemt vervolgens -aas: 11 slagen.


Noord komt uit met -6:

Een stuk lastiger. U heeft maar één stop in en dat is de Aas. Als u deze incasseert en u gaat vervolgens het speelplan van hiervoor uitvoeren, met andere woorden: naspelen, dan kunt u op uw vingers natellen dat dit contract down zal gaan. Immers, als de tegenstanders -aas hebben genomen, zullen ze direct daarna naspelen en zeker nog vier slagen maken. U moet hier uw speelplan dus wijzigen.

Hoe? U neemt -aas en speelt vervolgens uw vijfkaart af. De enige manier om 3SA te maken is om vervolgens vanuit de westhand -boer voor te spelen en te hopen dat -heer goed zit.


Noord komt uit met -6:

Ook hier geldt: eerst nadenken en een speelplan verzinnen. De meesten zullen meteen snijden op -heer en zullen later in het spel pas beseffen dat, mocht de heer fout zitten, een dure vergissing was geweest. Want zit hij verkeerd, dan kunt u op uw klompen aanvoelen dat de tegenpartij gaat naspelen, en dat terwijl -aas nog buitenboord is. Toch kan, met het juiste plan, dit contract veilig gemaakt worden.

Hoe? U neemt -aas en speelt vervolgens na totdat -aas valt. Als de tegenpartij nu met -heer nakomt, houdt u -vrouw nog over. Als ze naspelen, neemt u het aas en speelt vervolgens de en de vrije . Hoe dan ook: 11 slagen.

 

 


Kansberekening

In elk spel dat u speelt, komt u in aanraking met het feit dat er in elke kleur kaarten ontbreken. Als het de troefkleur betreft zijn dit er in een gezond troefcontract maximaal vijf. Soms minder en een enkele keer ook meer. Het is dan goed om te weten dat er statistieken bestaan die de waarschijnlijkheid aangeven over hoe de ontbrekende kaarten bij uw tegenstanders zijn verdeeld. Ook reuze handig in een Sans Atout contract, wanneer u uw 'werkkleur' aan het ontwikkelen bent. Het kan u helpen om een keuze te maken met betrekking tot het wel of niet snijden. Als het een wilde gok dreigt te worden dan kunt u altijd de kant kiezen die volgens de statistieken het meest kansrijk is.

Uiteraard staat hierbij 'common sense' bovenaan. De biedronde heeft al informatie opgeleverd waarmee je het zitsel al een beetje in kaart kunt brengen en dat is natuurlijk leidend. Toch is het goed om af en toe dit staatje weer eens te bekijken. Elke zichzelf respecterende bridger moet nu eenmaal weten dat bij 4 kaarten buitenboord, de kans het grootst is dat het 3 -1 zit verdeeld maar houdt er evengoed rekening mee dat het mogelijkerwijs ook 4 - 0 tegen kan zitten.

Ontbrekend aantal kaarten Zitsel Kans op dat zitsel
2 1-1 52%
  2-0 48%
3 2-1 78%
  3-0 22%
4 2-2 40%
  3-1 50%
  4-0 10%
5 3-2 68%
  4-1 28%
  5-0 4%
6 3-3 36%
  4-2 48%
  5-1 15%
  6-0 1%
7 4-3 62%
  5-2 30%
  6-1 7%
  7-0 1%